Blog Image

SOLO ACTUEEL

ACTUEEL

Columns, actualiteiten, rariteiten en markante feiten...

De Hel

Actualiteiten Posted on Thu, January 03, 2019 11:48


Vorige week fietste ik over het fietspad langs de Gordelweg. In de verte zag ik een man in tegenovergestelde richting over het trottoir lopen met een aantal hondjes. Naarmate ik dichterbij kwam, kon ik zien dat het een lange man betrof. Kort stekeltjeshaar. Peper en zout kleurig. Een zwarte sportjas met grijze en blauwe accenten. Een donkere spijkerbroek. Eén van de hondjes was een foxterriër. De andere een onduidelijk bastaardje van schoothond formaat. De hondjes liepen in het gras naast het voetpad en dwongen de man ook in het gras te gaan lopen. De riempjes waren net te kort. En zo stond de man daar terwijl ik hem passeerde met mijn fiets. Het bastaardhondje bukte zich om zich te ontlasten. Ik zag het beeld compleet. En keek de man aan.

De harde ogen van de man flitsten even naar het hondje en toen weer naar de mijn. In zijn ogen las ik ongenoegen en boosheid. Het vormloze varkens lederen bankstel in de huiskamer. Een grote tv uit de koopjes kelder van de Correct met toch bedroevende beeldkwaliteit en al die kutprogramma’s. Een Opel Astra 1.9 diesel uit 1992. Een vrouw waar geen personal trainer meer wat aan kan verhelpen. Omdat het niet alleen aan de buitenkant eraan zit. Het ondergaan van de zon, terwijl het te bewolkt is om hem goed te kunnen zien. Altijd dezelfde racistische grapjes op het werk, waar die Turkse metselaar ook gewoon bij is. Hassan kan er zelf ook wel om lachen, toch? En nooit de postcode kanjer. Nooit.

Terwijl ik mijn blik afwendde zag ik hem in mijn ooghoek het hondje nog een schop geven. Hij riep me na: ‘Als je met je arrogante kop maar niet denkt dat ik die schijt ook nog voor je ga opruimen’. Ik keek niet om en wist dat hij het niet tegen mij had. Hij zag enkel een blanke middenklasser die tevreden op zijn fiets richting zijn gezin onderweg was voor het avondeten. Erasmus zei het al: ‘De meeste mensen zijn andere mensen’. Sartre zei het ook, maar maakte ervan: ‘De hel, dat zijn de anderen’.



Handschoen

Actualiteiten Posted on Thu, January 03, 2019 11:46

Onderweg van kantoor A naar kantoor B fietste ik, na het Centraal gepasseerd te zijn, over Kruisplein. Ik werd ingehaald door een vrouw met een grijze knot op een fiets met zadeltassen. Ze fietste over een hobbeltje in de weg. Uit een van de fietstassen viel een handschoen. Ik zag hem vallen. Landen op de straat. En riep: ‘Mevrouw, u verliest een handschoen.’ Stoïcijns fietste de vrouw door. Ze keek niet eens om. Een moment dacht ik om te draaien en de handschoen op te halen en haar achterna te fietsen. Maar toen die gedachtegang ten einde kwam, was ik al weer zestig meter verder.

Ik zag dat ze stopte bij de kruising met de Kruiskade. Inhalen zou kunnen als ik hard fietste. Maar wat zou ik dan te zeggen hebben? ‘Mevrouw, u bent tweehonderd meter terug uw handschoen verloren.’ Zou het ze iets kunnen schelen? Zou ze de moeite nemen om terug te fietsen om hem op te halen? In mijn schuur liggen twee volle vuilniszaken met uitgewassen handschoenen. De oogst van één winterseizoen handschoenen oprapen op mijn dagelijkse fietstochten. Ik voelde een moedeloze onverschilligheid die zich meester van me wilde maken.

De kruising met de Kruiskade overstekend zag ik honderd meter voor me dat de vrouw stopte en haar fiets op de stoep zetten. De zette het rijwiel op slot en ging een pand binnen. Toen ik er voorbijfietste, zag ik dat dat het Goethe Instituut was. De vrouw was dus waarschijnlijk Duits en had niet verstaan of gehoord wat ik riep, toen ze haar handschoen verloor. Nog vijftig meter twijfelde ik, voordat ik alsnog de teugels wendde. Ik fietste terug naar Kruisplein en vond daar op dezelfde plek als ik hem had zien vallen de handschoen. Ik pakte hem op.

Het plan was om de handschoen in de fietstas van de vrouw te stoppen. Zo zou ze hem weer terug hebben. Toen ik echter aankwam bij het Goethe Instituut was ik er niet meer zeker van welke fiets het was. Iedereen lijkt tegenwoordig wel fietstassen te hebben. Dus belde ik aan en stapte, nadat een jonge vrouw de deur open had gedaan de drempel over. Ik legde uit dat ik een handschoen had gevonden van een vrouw met grijs haar en een knotje, die hier zojuist vijf minuten eerder was binnengegaan. Een zwaar Duits accent antwoordde das das ein Kollegen gewesen sein moeste en nam de handschoen in ontvangst. Ik wenste haar een goede dag en liep de deur uit. Toen ik me omdraaide zag ik de vrouw met het knotje haar hoofd om een hoekje steken binnen en met een brede lach zwaaien. Dat voelde goed.

Ik stapte op mijn fiets en dacht verbaasd over de weinige praktische moeite die het had gekost iemand blij te maken. En hoe onevenredig veel innerlijke discussie me dat had gekost. Trappend om op snelheid te komen scheen er flets licht door de ontbladerde bomen langs de Westersingel en stelde zich de volgende vraag: ‘Stel je voor dat je te horen krijgt dat je nog een dag te leven hebt. Wat ga je dan doen? Pak je dan de eerste handschoen op die je ziet liggen? Of ga je filosoferen over een probleem waar je de oplossing nooit meer van zult vinden.’