Haar gezicht, nabij dat van een andere vrouw. Ogen bijna gesloten. Naakt tussen droom en inslapen verkerend. Alsof ze minimaal leven inademt. Daar, boven het gezicht en de blote borsten van die andere vrouw. Te rustig om ongemak te voelen.

Een andere foto. Hoe ze als een hondje opkijkt naar de blonde vrouw die haar aan de boezem koestert. De zachte kromming van haar hals en de tederheid in de ogen. De kwetsbaarheid en geborgenheid.

Dan de foto op de Impasse de Deux Anges. Samen met haar geliefde. Engelen in een wereld, waar de realiteit in een moment gevangen wordt. Waar het lot geliefden net zo makkelijk weer van elkaar scheidt.

Het is negentienzesenveertig. In de stad der engelen stort een vrouw ter aarde. Haar hart stopt. De man op de foto is op dat moment in Zwitserland. Het is een eenzaam passeren. Veertig jaar is ze op dat moment.

Drieënzeventig jaar later ploegt een man van vierenveertig door wat fotoboeken van Man Ray. Zwartwit foto’s op papier. Stilstaand beeld, decennia oud, dat in staat blijkt snaren te raken die diep verborgen liggen. De waarnemingen van ogen, die mengen met gedachten en voorstellingen. Of je een veulen opgraaft uit het permafrost, om er na ontdooien achter te komen dat het bloed nog vloeibaar is en warm als levend. Wat heeft schrijven dan nog voor zin?

Dat we enkel verhalen zijn. Bij dood en bij leven. Bij nooit meer en altijd weer.